De bestraling
Wat is radiotherapie of bestraling?
Radiotherapie is een behandelingsvorm die gebruik maakt van radioactieve straling. Radiotherapie wordt onder meer gebruikt bij de behandeling van kanker, maar ook andere (niet-kwaadaardige) aandoeningen komen soms voor een bestralingsbehandeling in aanmerking. Voor de bestraling wordt gebruik gemaakt van röntgenstraling die echter vele malen sterker is dan de straling die gebruikt wordt voor het maken van röntgenfoto's. Soms wordt ook een radioactieve bron gebruikt die in het lichaam in of dichtbij de tumor wordt aangebracht. Voor alle gebruikte straling geldt dat deze onzichtbaar, niet te ruiken en niet voelbaar is.
Voorafgaande aan de bestraling zijn uitgebreide voorbereidende werkzaamheden noodzakelijk. Zo moet het te bestraling gebied nauwkeurig bepaald worden. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van een CT-scanner en soms ook van een CT-PET-scanner. Met behulp van computers wordt vervolgens een bestralingsplan opgesteld. Als er tijdens de bestraling een masker of een ander hulpmiddel nodig is, dan wordt dit ook tijdens de voorbereidingsperiode op maat voor de patiënt vervaardigd. Pas als alle bestralingsplannen en eventuele hulpmiddelen gereed zijn, volgt de eerste bestraling.
Radiotherapie wordt toegepast als:
- Curatieve (genezende) behandeling
- Adjuvante (aanvullende) behandeling
- Palliatieve (verzachtende) behandeling
Curatieve behandeling
Bij sommige soorten kanker kan worden volstaan met bestraling als curatieve (genezende) behandeling, zoals bijvoorbeeld bij een kleine tumor aan de stembanden. Voorwaarde voor blijvende genezing is, dat er geen uitzaaiingen buiten het bestralingsgebied zijn. Radiotherapie is immers een plaatselijke behandeling.
Adjuvante behandeling
Bij andere soorten kanker kan radiotherapie onderdeel zijn van een curatieve behandeling. Radiotherapie wordt dan gegeven in combinatie met een operatie en/of chemotherapie.
Adjuvante radiotherapie kan vóór een operatie worden toegepast om de tumor kleiner te maken, zodat deze gemakkelijker kan worden verwijderd. Radiotherapie kan ook worden toegepast ná een operatie, om te voorkomen dat eventueel in het operatiegebied achtergebleven kankercellen later uitgroeien tot een nieuwe tumor.
Palliatieve behandeling
Wanneer geen genezing meer mogelijk is, kan zonodig een palliatieve bestraling worden gegeven. Deze behandeling is gericht op het verminderen van klachten. Radiotherapie kan worden toegepast bij pijn, een bloeding, belemmering van een doorgang (zoals in de slokdarm) en bij andere verschijnselen die ontstaan door druk van een tumor op nabijgelegen organen. Vaak gaat het dan om een kortdurende behandeling waardoor de kwaliteit van het dagelijks leven wordt verbeterd.
Uitwendige en inwendige bestraling
Radiotherapie kan als uitwendige bestraling en als inwendige bestraling worden toegepast. Uitwendige bestraling wordt het meest toegepast. Soms krijgt een patiënt een combinatie van uitwendige en inwendige bestraling.
Uitwendige bestraling
Bij uitwendige bestraling wordt gebruik gemaakt van speciale apparatuur die bestralingstoestel of lineaire versneller wordt genoemd. Vaak wordt er van verschillende kanten bestraald, om op deze manier het te bestralen gebied zo goed mogelijk te bestralen, maar tegelijkertijd het gezonde omliggende weefsel zo veel mogelijk te ontzien. Na de bestraling blijft er geen straling in het lichaam achter. Patiënten worden dus niet radioactief. Er komt ook geen straling in zweet, urine, ontlasting of sperma.
Inwendige bestraling
Bij inwendige bestraling, ook wel brachytherapie genoemd, wordt radioactief materiaal in het lichaam dichtbij of in de tumor aangebracht. Deze vorm van behandeling kan zowel klinisch (de patiënt wordt opgenomen in het ziekenhuis) als poliklinisch plaatsvinden. Er worden speciale veiligheidsmaatregelen getroffen in verband met de straling. Als het radioactieve materiaal uit de patiënt is verwijderd, is er geen straling meer in het lichaam.
Inwendige bestraling wordt vooral toegepast op plaatsen in het lichaam die vrij gemakkelijk te bereiken zijn, zoals bijvoorbeeld de tong. Voor tumoren in holle organen, zoals de baarmoeder en de slokdarm is deze behandeling ook bruikbaar.
Bronhouders
Bij inwendige bestraling worden holle buisjes (bronhouders) geplaatst in de holte of in het weefsel waarin de tumor of eventuele kankercellen zich bevinden. Vervolgens worden röntgenfoto's gemaakt om de stand van de bronhouders vast te leggen en om te berekenen hoeveel straling moet worden gegeven. Als dat bekend is, worden de radioactieve bronnen in de buisjes geplaatst.
Soms wordt het radioactief materiaal zonder bronhouder in de tumor geplaatst. Ook dan worden röntgenfoto's gemaakt. Aan de hand van deze foto's kan men nauwkeurig berekenen hoe lang het materiaal moet blijven zitten om de gewenste dosis straling te bereiken.
Bij inwendige bestraling kan de totale hoeveelheid straling meestal ononderbroken worden toegediend in plaats van stapsgewijs. De bestralingstijd kan variëren van ongeveer tien minuten tot meerdere dagen.
Gedurende de tijd dat de stralingsbronnen zich in het lichaam bevinden, moet de patiënt in een speciale behandelruimte verblijven. In verband met de straling heeft deze kamer speciale voorzieningen. Soms zal de patiënt gedurende de inwendige bestraling ook in bed moet blijven, om te zorgen dat de stralingsbronnen zo goed mogelijk op dezelfde plaats blijven.
Hoe werkt radiotherapie?
Radiotherapie is een plaatselijke behandeling en heeft daarom alleen effect in het gebied dat door de stralenbundel(s) wordt getroffen. Ondanks dit plaatselijke effect kan bestraling wel leiden tot algemene verschijnselen zoals moeheid.
Kankercellen verdragen bestraling meestal slechter dan gezonde cellen. Als de bestraling succesvol is, gaan alle kankercellen uiteindelijk dood, terwijl de gezonde weefsels zullen herstellen.
Als straling het erfelijk materiaal (DNA) van een cel treft, veroorzaakt dit schade. Als de getroffen cel de schade aan het DNA niet kan repareren, verliest de cel het vermogen om te delen. Deze, door straling onherstelbaar beschadigde cellen gaan dood.
Straling werkt zowel op sneldelende als langzaamdelende weefsels. De gevolgen van bestraling bij sneldelend weefsel, zoals haren, slijmvliezen en beenmerg, zijn al tijdens of kort na de behandeling merkbaar. Bij langzaamdelend weefsel (bijvoorbeeld zenuwweefsel) zijn de gevolgen van een bestralingsbehandeling soms pas na vele maanden of zelfs jaren merkbaar.
Over het effect van bestraling kunt u meer lezen op deze site.
In veel gevallen kan door bestraling kankerweefsel volledig worden vernietigd, zonder dat het gezonde weefsel onherstelbaar wordt beschadigd.

