Minder bestralen, even veilig: tien jaar onderbouwing voor radiotherapie op maat bij borstkanker

21 mei 2026

Tienjaarsresultaten van de RAPCHEM-studie bevestigen dat gepersonaliseerde bestraling na chemotherapie leidt tot zeer lage kans op terugkeer van de ziekte in de borst of lymfeklieren. Onderzoeker Fleur Mauritz ontving hiervoor twee internationale prijzen. Een interview met Fleur en Linda de Munck senior onderzoeker bij IKNL.

Fleur Mauritz, arts in opleiding tot specialist radiotherapie bij Maastro - Fotografie Henry Peters

Hoeveel bestraling is genoeg? Het is een van de moeilijkste afwegingen in de behandeling van borstkanker. Te weinig vergroot het risico op terugkeer van de ziekte. Te veel leidt tot onnodige bijwerkingen die patiënten de rest van hun leven met zich meedragen. De RAPCHEM-studie, die door  Maastro geinitieerd werd, laat nu voor het eerst zien dat het antwoord op die vraag niet voor iedereen hetzelfde hoeft te zijn, en dat minder bestralen in veel gevallen tot een hele kleine kans op tumorterugkeer leidt in de borst of lymfeklieren.

Fleur Mauritz, arts in opleiding tot specialist radiotherapie bij Maastro, presenteerde de tienjaarsresultaten op de European Breast Cancer Conference 2026 in Barcelona en de ESTRO-conferentie. Zij ontving in Barcelona de Young Investigator Innovation Award of the Year voor uitzonderlijk borstkankeronderzoek, en werd vervolgens op de ESTRO 2026 bekroond met de ctRO Young Researcher Award van Clinical and Translational Radiation Oncology, een wetenschappelijk tijdschrift van de European Society for Radiotherapy and Oncology. De resultaten zijn geaccepteerd voor publicatie in The Lancet Oncology.

Het dilemma: wanneer kun je minder doen?

De RAPCHEM-studie onderzocht patiënten met een specifiek type borstkanker die eerst chemotherapie kregen en vervolgens werden geopereerd. De centrale vraag was: als de chemotherapie goed heeft gewerkt en de kanker sterk is teruggedrongen, kun je dan veilig een deel van de bestraling weglaten?
Tot voor kort was het antwoord op die vraag onduidelijk. Mauritz legt uit hoe dat kwam: “Vanouds werd een patiënt eerst geopereerd, dan bestraald, en als de situatie onvoldoende was, kreeg ze daarna nog chemotherapie. In die volgorde wisten we precies bij welk operatieresultaat bestraling winst opleverde. Maar de volgorde is veranderd: tegenwoordig krijgen patiënten eerst chemotherapie en dan pas de operatie. En toen zaten we met de vraag: hoe bepalen we nu wanneer we nog wel of niet moeten bestralen?”
Eerder kozen artsen voor de veilige route en werd er ruimhartig bestraald. Maar gaandeweg ontstond het vermoeden dat dit voor een deel van de patiënten te veel was. Mauritz: “Het is heel goed om conservatief en veilig te zijn, maar als je onnodig behandelt en daarmee onnodige bijwerkingen veroorzaakt, kun je dat niet verkopen aan de patiënt.”

De resultaten: zeer lage kans op terugkeer

De studie volgde 838 patiënten uit zeventien Nederlandse radiotherapiecentra, ingedeeld in drie risicogroepen op basis van hoe goed de lymfeklieren reageerden op de chemotherapie. Bij de laagste risicogroep, waar de kanker in de lymfeklieren volledig was verdwenen, werd een groot deel van de bestraling of de bestraling in zijn geheel weggelaten. Bij de groep met een gemiddeld risico werd de bestraling verminderd. Alleen bij de hoogste risicogroep werd volledig bestraald.
De uitkomsten na tien jaar zijn opmerkelijk. In de hele groep keerde de ziekte in borst of oksel terug bij slechts 2,9 procent van de patiënten, 24 vrouwen op bijna 840. Tussen de drie risicogroepen was er geen noemenswaardig verschil. Mauritz: “We hebben bestraling op maat toegepast en zien hele, hele lage recidiefpercentages. Dat is gewoon een prachtig mooi resultaat.”

Een uniek Nederlands systeem

Dat deze studie kon worden uitgevoerd, is mede te danken aan de Nederlandse Kankerregistratie, beheerd door Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL). Linda de Munck, senior onderzoeker bij IKNL, coördineerde de dataverzameling. Zij beschrijft hoe de samenwerking werkte: “Wij hadden de patiënten al in de kankerregistratie. We beschikten over basisgegevens over de tumor en de behandeling. Voor deze studie hadden we alleen wat extra details over de radiotherapie nodig. Doordat wij de patiënten al konden selecteren, konden we heel gericht aan de radiotherapeuten vragen: voor deze patiënten willen we graag die extra informatie.”
Bijzonder is dat de onderzoekers gepseudonimiseerde gegevens uit de kankerregistratie konden ontvangen of de ziekte na 10 jaar was teruggekeerd.. De Munck: “Op de conferentie in Barcelona zei de voorzitter van de sessie het heel expliciet: het is bijzonder dat dit in Nederland kan.. Dat speciaal opgeleide datamanagers van IKNL in de ziekenhuizen na tien jaar nog in die patiëntendossiers mogen kijken. Die constructie is lang niet overal.”
De samenwerking tussen Maastro, IKNL en de zeventien centra was volgens beiden essentieel. Mauritz: “Zonder die samenwerking was dit niet gelukt.” De Munck: “Iedereen zet zijn eigen sterke punt in. De kankerregistratie levert de basis en vult de follow-up aan,  de radiotherapeuten vullen gericht aan, vanuit Maastro komt de klinische regie. Zo kon dit snel en goed tot stand komen.”

Linda de Munck, senior onderzoeker Integraal Kankercentrum Nederland - Fotografie: Femke van den Heuvel

Internationaal vooroplopen

Nederland loopt met deze gepersonaliseerde bestraling  internationaal voorop. In veel landen wordt nog aanzienlijk conservatiever bestraald. De Munck: “Andere landen kijken hier zeker naar. Op de conferentie in Barcelona was enorm veel aandacht voor de presentatie van Fleur. In latere sessies werd er meerdere keren op teruggekomen.”
Mauritz ziet een duidelijke rol voor Nederland: “Wij staan er altijd voor open om kritisch te kijken naar wat we aan het doen zijn. Als we het gevoel hebben dat het anders moet, gaan we met elkaar om de tafel. Dat zijn we aan onze patiënten verplicht.”
In Nederland wordt de aanpak uit de studie al breed toegepast, maar internationaal is dat nog niet het geval. Mauritz: “Er zijn echt landen waar ze nog veel conservatiever zijn. Ik hoop dat deze resultaten hen helpen om die stap te durven zetten.”

Wat dit betekent voor patiënten

Voor een selecte groep vrouwen met borstkanker betekenen de resultaten dat zij na chemotherapie gevolgd door chirurgie minder of geen bestraling hoeven te ondergaan. Dat scheelt in behandeltijd en in bijwerkingen die de kwaliteit van leven jarenlang beïnvloeden. Mauritz: “Het gaat om een stukje behandeling dat bijwerkingen met zich meebrengt die de patiënt de rest van haar leven merkt. Dat kunnen we nu voor een groep patiënten weglaten, terwijl de kans op tumor terugkeer in de borst of lymfeklieren heel klein blijft.”

De toekomst: behandeling steeds meer op maat

Het onderzoek is nog niet afgerond. De onderzoekers willen analyseren waar precies de recidieven optraden: op de plek die bestraald is, of juist waar bestraling is weggelaten. Daarnaast verschuift de okselchirurgie naar minder ingrijpende technieken, wat opnieuw de vraag oproept hoeveel bestraling nog nodig is.
Op de vraag wat zij hopen dat over vijf tot tien jaar standaardzorg zal zijn, zijn beide onderzoekers eensgezind. Mauritz: “Dat we voor elke patiënt echt zorg op maat kunnen bieden. Minder standaard, meer maatwerk.”
De kernboodschap van het onderzoek vat Mauritz samen: “We kunnen bij patiënten die goed op chemotherapie reageren op een verantwoorde manier een groot deel van de bestraling en de bijbehorende bijwerkingen weglaten. Zo zetten we de kwaliteit van leven centraal en behandelen we niet onnodig.”

RAPCHEM in cijfers

De RAPCHEM-studie (Radiotherapy After Primary CHEMotherapy) is een landelijke prospectieve studie, geïnitieerd door prof. dr. Liesbeth Boersma van Maastro. Het onderzoek includeerde 838 patiënten uit 17 Nederlandse radiotherapiecentra in de periode 2011-2015. Na tien jaar follow-up bedroeg het locoregionaal recidiefpercentage 2,9 procent, zonder significante verschillen tussen de risicogroepen. De vijfjaarsresultaten verschenen in 2022 in The Lancet Oncology. De tienjaarsresultaten zijn geaccepteerd voor publicatie in hetzelfde tijdschrift. De studie is uitgevoerd in samenwerking met IKNL en gefinancierd door KWF Kankerbestrijding.